Ik weet niet hoe het is in uw filterbubbel, maar in de mijne gaat de discussie eindeloos over het voorstel van de Commissie Van Rijn om de technische universiteiten meer geld te geven door dat weg te halen bij de algemene universiteiten. Te simpel samengevat: alfa’s en gamma’s betalen voor bèta’s.

Door: Jona Lendering

Dhr. Van Rijn (r) overhandigt het rapport minister Van Engelshoven. Foto: Commissie van Rijn

Er liggen verschillende bezwaren. Eén daarvan is dat Van Rijn onvoldoende recht doet aan de samenhang van de wetenschappen. Denk aan de samenwerking van psychologen en neurobiologen of van taalkundigen en informatici. Een tweede punt van kritiek is dat er nóg meer druk ontstaat op al onder druk staande studies als huisartsengeneeskunde of Duits.

Weer een ander tegenwerping luidt dat het macrobudget voor het hoger onderwijs momenteel wordt onderzocht. Kan de minister daar niet op wachten? En is de bezuiniging op alfa en gamma niet bizar wanneer het kabinet elf miljard euro op de begroting overhoudt en de belastingen voor multinationals verlaagt? Een vierde bezwaar is dat je niet zomaar kunt zeggen dat een kunsthistoricus minder waard is dan een ingenieur.

Zo kan ik doorgaan, en zo gaat in mijn filterbubbel ook door. Veel haalt het overigens niet uit. De minister heeft het advies overgenomen en door de Kamercommissie gedramd. Onlangs heeft de Kamer er, ondanks protest van elke zelfrespecterende wetenschappelijke instelling, mee ingestemd. Daarbij zal het wel blijven. WO in Actie heeft al gecapituleerd door het protest uit te stellen tot de opening van het academisch jaar. Ik wil hopen dat het kabinet ons met Prinsjesdag verrast maar reken op niets.

Tell, don’t show

Wat mij, werkend in de marge van de geesteswetenschappen, opvalt is hoe weinig overtuigend het verhaal van de letterdames en -heren klinkt. Let wel: het is wáár, maar dat is niet hetzelfde als mensen met een andere mening ervan doordringen rekening te houden met andere opvattingen.

Ilja Pfeijffer, van huis uit classicus en inmiddels een bekende Nederlandse auteur, wijst er bijvoorbeeld op dat geld wordt weggehaald “bij wetenschapsdisciplines die de grote vragen van vandaag en morgen zouden kunnen bestuderen om dat geld door te schuiven naar wetenschapsdisciplines waarmee geld wordt verdiend”. Pfeijffer stelt (m.i. terecht) dat dit niet slechts de wetenschap maar de hele maatschappij beschadigt.

Maar ja, je kunt alles wel claimen. Wie wil overtuigen, moet het tonen en Pfeijffer past de regel show, don’t tell niet toe. Dat kan hij ook niet, want zijn klassieke collega’s hebben een visie op wetenschapscommunicatie waarin het internet nog niet bestaat. Ze hebben bijvoorbeeld geen websites waarin ze hun inzichten delen. Er is zelfs geen boek – u weet wel, zo’n medium van vroeger – waarin ze toelichten hoe ze antieke teksten uitleggen. Omdat zijn collega’s dertig jaar achter de feiten aanlopen kan Pfeijffer slechts blaffen zonder te bijten.

Even terzijde: de samenleving financiert universiteiten omdat ze goed geïnformeerd wil zijn en dat gebeurt via de lump sum. Onderzoek en onderwijs, waar zo vaak de aandacht naar uitgaat, zijn afgeleiden van de informatieoverdracht en dienen om het aanbod zo accuraat mogelijk te laten zijn en om dat zo te houden in de toekomst. Eigenlijk zijn onderzoekers het ondersteunend personeel van de voorlichters.

Veenlijken

Een reconstructie van het meisje van Yde, een veenlijk uit de late ijzertijd. Foto: Drents Museum

Er speelt nog iets, dat ik het beste kan inleiden met een voorbeeld. Een paar jaar geleden maakte ik met de Nijmeegse classicus Vincent Hunink een boekje over de teksten van de Romeinse auteur Tacitus over de Germanen. Hunink vertaalde ze en ik legde de archeologie ernaast. Als ik nu bij een lezing over dit onderwerp vertel dat Tacitus beschrijft hoe de Germanen terdoodveroordeelden in moerassen verdronken, krijg ik gegarandeerd vragen over de veenlijken in het Drents Museum, zoals het Meisje van Yde. Wie spreekt over teksten krijgt vragen over archeologie. Omgekeerd, als ik spreek over veenlijken, krijg ik vragen over Tacitus. Wie spreekt over archeologie, krijgt vragen over filologie. Mensen (h)erkennen de academische specialismen niet.

Dit verklaart ook de populariteit van sommige pseudowetenschappelijke opvattingen. Zo is er het afrocentrisme, het idee dat de Grieks-Romeinse cultuur via Egypte voortbouwt op Afrikaanse beschavingen. Deze hypothese, die goed past bij de culturele discussies van de eenentwintigste eeuw, biedt een brede visie op de Oudheid. Het is ook onzin, maar de specialisten aan de universiteit zijn slecht toegerust om een these als deze te weerleggen. Je hebt inzicht nodig in zowel de klassieke als de Egyptische literatuur, in het DNA-onderzoek, in geschiedenis in de antropologie en in de geschiedtheorie. Hetzelfde geldt als een Thierry Baudet het heeft over een boreale cultuur: onzinnig maar moeilijk weerlegbaar voor academische specialisten.

De geesteswetenschappen – of althans de oudheidkundige sector waaraan ik mijn voorbeelden ontleen – zijn slecht toegesneden op maatschappelijk discussies en de dialoog met het publiek. Dat zou in elke wetenschap erg zijn, maar is dat zeker in de geesteswetenschappen, die immers de maatschappij willen verrijken door haar te helpen de eigen denkbeelden te begrijpen. Wie zich bezighoudt met de geesteswetenschappen, zo luidt de ambitie, ontdekt dat andere mensen anders over dingen denken, gaat het plaats- en tijdgebondene van de eigen ideeën herkennen en doorgrondt de eigen denkbeelden. Het bereiken van het publiek is hier dus de bestaansreden maar in de praktijk zijn de geesteswetenschappen te gespecialiseerd voor deze verantwoordelijkheid.

Kortom, de academische zelfbeperking blokkeert de uitvoering van de eigenlijke taak. Anders gezegd: de structuur van de wetenschap blokkeert diezelfde wetenschap. Nog anders gezegd: het probleem heet “universiteit”.

En dus?

De geesteswetenschappen worstelen met een dubbel probleem. Doordat ze zich – uitzonderingen als de website Neerlandistiek niet te na gesproken – slecht uitleggen, kunnen ze hun belang alleen claimen maar niet overtuigend tonen. Bovendien zijn ze vaak te versplinterd om hun rol te spelen in het maatschappelijk debat. Ik voor mij denk daarom dat de universiteit de verkeerde inbedding is voor de geesteswetenschappen. Zolang ze daar blijven, zal het van kwaad tot erger gaan. Er valt overigens een boom op te zetten over de vraag hoeveel verloren gaat met de verdwijning van een vakgebied dat, verlamd door de academische structuur, zijn werk niet kan doen.

Hoe ga je hiermee om als wetenschapsjournalist, wetenschapscommunicator, wetenschapsvoorlichter? Ik denk dat het afhangt van je taakopvatting. Als je wil informeren over de wetenschap, zoals een sportverslaggever schrijft over voetbal zonder zelf te spelen, is er niets mis mee om te beschrijven hoe de universitaire structuur de wetenschap hindert.

Als je daarentegen wetenschappelijke inzichten wil helpen verspreiden, negeer dan het zoveelste ontdekkinkje maar kijk naar de grote thema’s. Leg bijvoorbeeld uit waarom de boreale cultuur of het afrocentrisme onzin zijn. Dát is de brede analyse waar het publiek om vraagt en de verkenning van de eigen ideeën is waarmee de geesteswetenschappen zich legitimeren.

Makkelijker wordt het er zo niet op, want je zult specialisten uit uiteenlopende vakgebieden moeten samenbrengen. Ik probeer al maanden bioarcheologen en classici samen over DNA te laten praten, en dat blijkt echt lastig. Het alternatief is echter dat je het academische hyperspecialisme overneemt. Dat kun je inderdaad doen, maar dan ben je wel onderdeel geworden van het probleem.