Afgelopen vrijdagavond, 12 december 2014, overleed Maarten Evenblij, VWN-lid en bijzonder productief Nederlands wetenschapsjournalist. Hij was nog maar 61 jaar.

Twee jaar geleden werd Maarten geopereerd aan een tumor in zijn alvleesklier. In een indrukwekkend staaltje van persoonlijke wetenschapsjournalistiek analyseerde hij daarna in De Volkskrant zijn kille kansen.

“Wat geluk betreft, ben ik nu wel aan de beurt, want de Staatsloterij heb ik nog nooit gewonnen,” schreef hij toen met de hem kenmerkende zelfspot.

Afgelopen zomer werd duidelijk dat hij de jackpot weer zou mislopen. Achter zijn longen werden kankercellen gevonden. Sindsdien heeft Maarten, al zijn afnemende krachten bijeenrapend, nog veel gegeven. Tot in de laatste seconden danste hij vorige maand op zijn eigen afscheidsfeest. Maar vrijdag was dan toch echt alles op.

**

MARIJNIZ_170611_3929Maarten studeerde biochemie in Utrecht. Het waren de jaren zeventig, en na zijn studie weigerde Maarten in militaire dienst te gaan. Toen al had hij sterke sociale principes, waarvoor hij bereid was ver te gaan: door antimilitaristische acties rond een totaalweigeraar belandde hij drie weken in de gevangenis.

Na zijn vervangende dienstplicht werkte hij eerst enkele jaren bij het U-Blad (het Utrechts Universiteitsblad). Daarna bouwde Maarten echter al snel een uitzonderlijk bloeiende praktijk op als freelance wetenschapsjournalist. Hij was duizelingwekkend, soms jaloersmakend productief, en kon zo een groot stempel op de Nederlandse wetenschapsjournalistiek drukken. Voor veel wetenschapsjournalisten was hij een imposant voorbeeld.

Ik zelf ken Maarten pas sinds de jaren negentig, toen hij inmiddels bijna wekelijks de voorkant van het wetenschapskatern van De Volkskrant vulde. Het waren hoogtijdagen voor stukken over moleculaire en medische biologie, toen zijn grootste thema’s.

Voor het concurrerende Parool, waar ik toen als jonge wetenschapsverslaggever werkte, versloeg ik een congres. Verbaasd zag ik toe hoe de sprekers op het congres zich één voor één bij Maarten kwamen melden om door hem te worden geïnterviewd. Zijn netwerk in wetenschappelijk Nederland was al fenomenaal.

In de pauze sprak Maarten, in rode broek met gebloemd overhemd op die plek een ongewone verschijning, mij aan. Wilde ik meedoen aan een ‘journalistenclubje’ dat hij jaren eerder was begonnen?

Het woord ‘intervisie’ was nog niet uitgevonden, maar in dit clubje bespraken zeven of acht milieu- en wetenschapsjournalisten elke maand elkaars werk, zonder genade en onder strikte geheimhouding. Het was georganiseerde feedback die je scherp en bescheiden houdt: al die vermeend prachtige zinnen die zelfs je trouwste lezers uiteindelijk blijken niet te hebben begrepen.

Nu, ruim twintig jaar later, komt dat clubje nog altijd maandelijks bij elkaar. Soms behandelen we een stuk, steeds vaker bepraten we elkaars avonturen in journalistiek Nederland. Een glas wijn is nooit ver weg. We werden vrienden met een gezamenlijke professionele geboortegrond. Het is de uitkomst van Maarten’s wens om, ook in zijn werk, mensen bij elkaar te brengen.

**

Voor een freelancer was Maarten voor De Volkskrant opmerkelijk beeldbepalend. Maar hij werkte voor een lange rij bladen en opdrachtgevers. Jarenlang was hij ook freelance wetenschapsredacteur voor Nova, de voorloper van Nieuwsuur.

Maarten was dan ook een hybride van werk- en renpaard. Een spreekwoordelijke werkdag begon ’s ochtends om 7 uur in de trein van Amsterdam naar Groningen voor twee interviews, dan door naar Maastricht voor nog eens twee interviews. Bij thuiskomst in Amsterdam had hij in de trein het stuk van duizenden woorden klaar. (Hij moest het wel zo doen, vertelde hij me ooit grappend, omdat zijn slechte geheugen anders alles weer zou zijn vergeten.)

De laatste jaren verschoof het zwaartepunt van zijn werk geleidelijk van bladen naar boekjes in opdracht, onder andere voor ZonMW, NWO en Biowetenschappen en Maatschappij (PDF). (Zelfs dit jaar zagen nog twee boekjes het licht.) De werkwijze bleef: heel veel mensen interviewen, en het resultaat snel, onder hoge druk en als het nodig was tot diep in de nacht, verwerken. Ook ‘Vuur en IJs’, een qua vorm vernieuwende ‘wetenschapsroman’ over het kankermedicijn Herceptin, kwam in deze hogedrukpan tot stand.

**

Maarten schreef in zijn leven veel over moleculaire biologie en de impact daarvan op diagnostiek en behandeling van kanker. Als geen ander wist hij dus dat veel medisch-journalistieke verhalen, ondanks ingebouwde nuances, de neiging hebben iets te rooskleurig te zijn. De wetenschap legt het helaas ook heel vaak af tegen combinaties van aanleg, omgeving, tijd en toeval.

Na zijn diagnose bestudeerde hij de literatuur en raadpleegde hij zijn wetenschappelijke netwerk. “Het kan meevallen en het kan tegenvallen,” concludeerde hij na de operatie in 2012 over zijn kansen op gewonnen levensjaren. “Mijn vrouw houdt het zelfs op tien jaar en wie ben ik om het haar uit het hoofd te praten?”

Het was Maarten ten voeten uit: een rationeel, deskundig en productief wetenschapsjournalist, die zich vóór alles buitengewoon druk wilde maken om zijn medemens.

We gaan hem missen.

Peter Vermij