De Wetenschapsvisie 2025 formuleert een aantal ambities om enerzijds de Nederlandse wetenschap nog verder op te stoten in de vaart der volkeren en anderzijds nog meer te verbinden met de samenleving en de uitdagingen waar we met zijn allen voor staan. Daar hoort ook bij het stimuleren van wetenschapscommunicatie, waarbij de nadruk ligt op het informeren en enthousiasmeren van ‘jong en oud’ voor wetenschap en technologie.

Juist daar doet zich een merkwaardige tegenstelling voor. In de Wetenschapsvisie proberen de bewindslieden een analyse te maken van de interactie tussen wetenschap en samenleving in het eerste kwart van de 21ste eeuw. Daar kun je het mee eens of oneens zijn, maar ze doen in ieder geval een poging om wetenschap techniek en samenleving meer op elkaar te betrekken. Maar als het gaat over wetenschapscommunicatie, lijkt het voornaamste doel te zijn het overbrengen van de fascinatie voor wetenschap via eenrichtingsverkeer, zoals TV-colleges, wetenschapsmusea en MOOC’s.

Dat wringt. Als je echte betrokkenheid wil, dan ben je er niet met een aantal halfbegrepen TV-colleges over de relativiteitstheorie, maar dan moet je inzicht willen geven in het wetenschapsbedrijf. Hoe komen onderzoekers tot hun resultaten en hoe moeten we die resultaten interpreteren. In de Wetenschapsvisie wordt weliswaar erkend dat het nodig is dat het brede publiek een realistisch beeld heeft van hoe wetenschap werkt (p.45), maar dat wordt niet verder uitgewerkt. Het blijft toch vooral het overbrengen van de fascinatie voor wetenschap.

Als Vereniging voor Wetenschapsjournalistiek en -communicatie Nederland (VWN) willen we graag een voorzet geven voor het verbeteren van de publiekscommunicatie over wetenschap en techniek. Dat gaat verder dan het vergroten van de zichtbaarheid van wetenschap en vraagt om maatregelen om zowel de kwaliteit als de kwantiteit van wetenschapsjournalistiek en –voorlichting te bevorderen.

Om met het laatste te beginnen: Aan de kennisinstellingen moet meer ruimte komen voor voorlichting die niet a priori is gericht op ‘branding’ van de instelling, maar op het vergroten van de actieve betrokkenheid van onderzoekers bij de samenleving om burgers en politici te helpen bij hun besluitvorming. En omgekeerd van burgers bij het wetenschapsbedrijf: Niet alleen als onbezoldigd medewerker, zoals in geval van citizen science, maar ook als klankbord voor onderzoekers.

De rol van wetenschapsvoorlichters is het signaleren van ‘issues’ en het organiseren van publieke betrokkenheid bij het onderzoek van de betreffende instelling. Na het HPV-debacle bijvoorbeeld voert het RIVM regelmatig gesprekken met betrokkenen om na te gaan welke vragen mensen hebben en welke zorgen en vooroordelen er leven. Omgekeerd zouden wetenschapsvoorlichters onderzoekers moeten stimuleren om het gesprek met burgers aan te gaan en hen waar nodig daarbij ook steunen. Inclusief het risico dat ze een lading bagger over zich heen krijgen.

Wat de wetenschapsjournalistiek betreft, die blijft in de Wetenschapsvisie helemaal buiten beeld. Een omissie in het licht van de ambities, want het zijn journalisten die het publiek onafhankelijk informeren over het wetenschapsbedrijf en die de resultaten van wetenschappelijk onderzoek duiden en in perspectief te plaatsen.

Wetenschapsjournalisten voorzien het publiek en de politiek van informatie die nodig is voor democratische controle van het wetenschapsbedrijf. Tegelijkertijd houden ze onderzoekers een spiegel voor en fungeren als een ‘early warning system’, voor potentiële maatschappelijke controverses over onderzoek. De wetenschapsjournalistiek speelt dus een belangrijke rol in de beoogde interactie tussen wetenschap, technologie en samenleving.

Om die rol te kunnen vervullen in een snel veranderend medialandschap zou het bestaande Boy Trip-fonds – vernoemd naar de eerste minister van Wetenschapsbeleid – moeten worden uitgebreid en gaan fungeren als fonds voor bijzondere wetenschapsjournalistieke projecten waar de reguliere media geen geld voor over hebben. Bij de beoordeling van voorstellen voor dergelijke projecten, ligt het primaat bij de journalistiek.

Om de kwaliteit van de wetenschapsjournalistiek te bevorderen moet er daarnaast een scholingsfonds komen, dat workshops, excursies en cursussen subsidieert. Enerzijds gaat het om workshops en cursussen over ontwikkelingen in wetenschap en techniek voor algemene journalisten. Anderzijds om verdiepende workshops en excursies voor wetenschapsjournalisten.

Al met al voldoende redenen om in het kader van de Wetenschapsvisie meer en systematischer aandacht te besteden aan het bevorderen van de kwaliteit en de kwantiteit van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek, met bijzondere aandacht voor de onafhankelijke wetenschapsjournalistiek. Niet toevallig is dat ook het doel van de VWN; wij willen er dus graag aan meewerken.

Het VWN-bestuur

Lees meer op de site van de KNAW.